Het woord bengel roept meteen een beeld op. Een jochie met vieze knieën, een grote mond en net iets te veel energie. Iemand die zelden kwaad in de zin heeft, maar wel structureel te ver gaat. Het is een van de vriendelijkste scheldwoorden in ons taalarsenaal: niet gemeen, maar met een knipoog. Perfect voor de buurjongen die je fietsband leeg laat lopen of voor je eigen kroost dat weer eens de boel op stelten zet. Laten we kijken wat er achter schuilgaat.
Wat betekent het?
Een bengel is een ondeugende jongen (of soms meisje), een kwajongen, een guit. Het is een mild, bijna vertederend scheldwoord voor iemand die katte(n)kwaad uithaalt, maar niet echt kwaad in de zin heeft. Denk aan de klassieke uitroep: “Ach, die kleine bengel!” Het kan ook gewoon een levendig, druk kind betekenen. In sommige contexten is het zelfs een koosnaampje voor een peuter met pit.
Waar komt het woord bengel vandaan?
Bengel duikt al in de late middeleeuwen op in het Nederlands. In de oudste bronnen heeft het woord nog niets met kinderen te maken, maar betekent het zoiets als stang, knuppel of stok. Denk aan iets dat bungelt of ergens los aan hangt. Die betekenis leeft nog voort in verwante woorden en dialecten.
Vanuit dat fysieke beeld — iets dat los hangt, slingert, niet strak in het gareel loopt — verschuift de betekenis langzaam naar mensen. Eerst naar losbandige types, daarna vooral naar jongens die zich niet netjes gedragen. Rond de zeventiende eeuw zien we bengel steeds vaker gebruikt voor een ondeugend kind, meestal een jongen, met een zweem van afkeuring maar zonder echte boosheid.
Taalkundigen vermoeden een verwantschap met het werkwoord bengelen (heen en weer zwaaien) en mogelijk met Duitse dialectwoorden met vergelijkbare betekenissen. Helemaal waterdicht is die etymologie niet, maar de lijn van “iets dat los bungelt” naar “iemand die zich niet laat beteugelen” is vrij overtuigend.




