Het woord schobbejak is er zo'n woord dat al verdacht klinkt vóórdat je precies weet wat het betekent. Zeg het hardop en je ziet meteen een licht onbetrouwbaar figuur voor je: iemand met een scheef hoedje, een twijfelachtig plan en een verleden dat liever onbesproken blijft. Maar wat is een schobbejak eigenlijk? En waar komt dat heerlijke woord vandaan?
Wat betekent het?
Volgens de meeste woordenboeken is een schobbejak een deugniet, schurk of boefje. Niet meteen een zware crimineel, eerder iemand die nét iets te vaak “per ongeluk” de regels buigt. Het is ook geen woord dat je gebruikt voor pure slechtheid. Een schobbejak kan charmant zijn. Ondeugend. Iemand bij wie je zuchtend denkt: ja hoor, daar heb je ’m weer.
Waar komt het woord schobbejak vandaan?
Schobbejak stamt waarschijnlijk uit het Frans. Oude Franse woorden als escobellac en escoubillac werden gebruikt voor iemand van laag allooi: een scharrelaar, een nietsnut. Via het Middelnederlands vond het woord zijn weg naar onze taal, waarbij het — zoals dat wel vaker gebeurt — fonetisch werd aangepast.
Klank en gevoel
Wat ook meespeelt, is het klankgevoel. De sch-klank suggereert iets schurends, iets rafeligs. De -jak aan het eind doet denken aan woorden als boefje, kwajongen of ettertje. Het woord klinkt precies zoals het bedoeld is: niet netjes, niet glad, maar ook niet levensgevaarlijk.
Dat maakt schobbejak zo’n prettig woord om te gebruiken. Mild veroordelend, maar met een glimlach. Je kunt er iemand mee aanspreken zonder meteen de sfeer te verpesten. Het is taal met relativeringsvermogen. En misschien is dat wel waarom het woord al zo lang meegaat.
Dus de volgende keer dat iemand weer nét iets te enthousiast zijn eigen plan trekt, weet je wat je te doen staat. Zucht eens diep, glimlach een beetje, en denk: ach ja — een schobbejak.



